Nieuws

Zondag 17 juni 2018

Opvoedingsinterventies laten sporen na in DNA

 

Binnen de hedendaagse ontwikkelingspsychologie wordt aangenomen dat ontwikkeling een interactief proces is tussen kind en omgeving. Fascinerend is dat ervaringen en omstandigheden ook genetische gevolgen kunnen hebben voor kinderen en kleinkinderen.

 

Uit steeds meer onderzoek blijkt dat verwaarlozing, mishandeling of misbruik in de jeugd op DNA-niveau zijn sporen nalaat.

 

Opvoeding en DNA

Uit recent Canadees onderzoek, gericht op epigenetische processen, blijkt nu dat een psychosociaal interventieprogramma gericht op moeders die neigen naar het verwaarlozen of mishandelen van hun kinderen geholpen zijn met opvoedingsondersteuning. Bovendien zien de onderzoekers de effecten van opvoedinsginterventies terug in het DNA-methyleringspatroon binnen het genoom.

 

Aan het langlopende (bijna 30 jaar) onderzoek namen 400 moeders en 190 kinderen deel. Deze mensen waren afkomstig uit de lagere sociaal-economische klassen. In 1977 werden de moeders van deze kinderen, die toen voor de eerste keer zwanger waren, onderverdeeld in twee groepen. Ongeveer de ene helft van de groep zwangere vrouwen ontving kosteloze gezondheidsevaluaties betreffende de ontwikkeling van het op dat moment nog ongeboren kind. Ook werd het transport van en naar de kliniek voor deze vrouwen vergoed.

 

De andere helft ontving gedurende twee jaar regelmatig huisbezoek en begeleiding van verpleegkundigen gespecialiseerd in vraagstukken rondom opvoeding en gezinsplanning. Het aantal huisbezoeken varieerde per gezin en liep uiteen van 6 tot 30. Dertig jaar later werden de effecten van de destijds toegepaste interventies onderzocht bij de nakomelingen.

 

Onderzoeksmetingen

Een deel van de onderzoeksmetingen betrof het beantwoorden van een online vragenlijst over de geestelijke gezondheid variërend van het optreden van depressies tot en met verslavingsproblematiek zoals drugsgebruik. Hierbij traden weinig verschillen op tussen de nakomelingen van beide groepen. In andere woorden: op het gebied van mentale gezondheid leek er nauwelijks verschil of hun moeders indertijd naar een consultatiebureau gingen voor een tussentijdse evaluatie of begeleid werden door een verpleegkundige.

 

Maar iets interessants deed zich voor toen de onderzoekers bloedmonsters namen. Er traden subtiele epigenetische verschillen op tussen beide groepen. Opmerkelijk was het verband tussen de twee jaar durende psychosociale interventie en de wijze waarop bepaalde genen hun expressie en daarmee hun functie veranderden. De DNA-veranderingen kwamen tot stand door DNA-methylatie, een proces waarbij groepen atomen (methylgroepen) worden toegevoegd aan DNA-moleculen om de activiteit van een DNA-segment te wijzigen zonder de volgorde zelf te veranderen.

 

De onderzoekers benadrukken dat (positieve) interventies bij zwangere vrouwen tot en met twee jaar na de geboorte sporen op genetisch niveau achterlaat bij de nakomelingen. Vroege interventies hebben dus een epigenetisch effect. Langdurige vervolgstudies zijn noodzakelijk en moeten uitwijzen hoe en of bepaalde (gezins)interventies klinisch nuttig zijn ten behoeve van de geestelijke gezondheid van kinderen en adolescenten.

 

Bronnen

Kieran J. O'Donnell et al. DNA methylome variation in a perinatal nurse-visitation program that reduces child maltreatment: a 27-year follow-up, Translational Psychiatry (2018). DOI: 10.1038/s41398-017-0063-9