Interacties tussen voeding en geneesmiddelen

 

Er zijn inmiddels duizenden interacties bekend die kunnen optreden tussen voeding en geneesmiddelen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om micro- en macronutriënten, maar ook om voedingssupplementen. Gelukkig zijn de meeste interacties niet klinisch relevant. Maar in bepaalde gevallen kunnen ze wél gevolgen hebben voor je cliënt.

 

Wederzijdse beïnvloeding

Enerzijds kan de biologische beschikbaarheid en de werking van medicijnen negatief worden beïnvloed door voeding of voedingssupplementen. Anderzijds kan langdurig medicijngebruik een nadelige invloed hebben op de voedingsstatus van je cliënt. Hierdoor kunnen op den duur bijwerkingen zoals deficiëntieverschijnselen en/of andere aandoeningen ontstaan.

 

Het juist combineren van voeding en een bepaald medicijn kan ook een gunstig effect hebben. Zo kunnen sommige voedingsmiddelen de biologische beschikbaarheid van bepaalde geneesmiddelen verhogen of kunnen voedingssupplementen worden ingezet om bijwerkingen van geneesmiddelen te verminderen of te voorkomen.

Mogelijke interacties

Voeding, voedingsmiddelen,voedingsbestanddelen en voedingssupplementen kunnen zowel de absorptie, metabolisme en uitscheiding als de werking van medicijnen beïnvloeden. In een aantal gevallen kan dit problemen geven, met name bij medicijnen met een geringe therapeutische breedte.

Voorbeelden:

  • Beïnvloeding absorptie door bestanddelen in de voeding

Bepaalde type vezels, met name pectinen, kunnen de opname verminderen van digoxine (middel bij chronisch hartfalen) en van sommige statines (lipidenverlagende middelen).

  • Beïnvloeding afbraak van medicijnen door bestanddelen in de voeding

Van bepaalde (bestanddelen in) voedingsmiddelen is bekend dat zij de activiteit van enzymen kunnen beïnvloeden van het cytochroom-P450-enzymsysteem (CYP 450). Het cytochroom-P450-enzymsysteem bestaat uit een grote familie van (met name lever-) enzymen die cruciaal zijn voor de afbraak van lichaamsvreemde stoffen, waaronder medicijnen. Vooral CYP1A2, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6 en CYP3A4 zijn belangrijk voor het metabolisme van medicijnen. Sommige voedingsstoffen kunnen de activiteit van één of meerdere CYP-enzymen remmen; hierdoor wordt het medicijn langzamer afgebroken, waardoor de concentratie in het bloed stijgt en het risico op overdosering toeneemt. Er zijn ook voedingsstoffen die de activiteit van bepaalde CYP-enzymen stimuleren (inductie); hierdoor kan een geneesmiddel versneld worden afgebroken, waardoor de concentratie in het bloed daalt en het risico op onderdosering toeneemt. Een voorbeeld van een voedingsmiddel dat de activiteit van P450-enzymen kan remmen is grapefruit(sap). Op houtskool bereide voedingsmiddelen zijn voorbeelden van voedingsmiddelen die de activiteit van deze enzymen stimuleren.

  • Beïnvloeding geneesmiddelen door ingrijpende veranderingen voedingspatroon

Het risico op interacties neemt toe bij ingrijpende veranderingen in de eetgewoonten van patiënten die (ingestelde) medicijnen gebruiken. Bijvoorbeeld door het volgen van een bepaald gezondheidsbevorderend dieet of door opeens grote hoeveelheden of sterk wisselende hoeveelheden van een bepaald voedingsmiddel te consumeren.

Beïnvloeding medicijnen door voedingssupplementen

Voedingssupplementen kunnen de werking van geneesmiddelen zowel versterken als verzwakken. Ze kunnen ook van invloed zijn op de opname van geneesmiddelen, zowel in positieve als negatieve zin. Soms kan een voedingssupplement beter niet worden gecombineerd met een bepaald medicijn. Bij het combineren van voedingssupplementen (in hoge dosering) en geneesmiddelen kan het risico op interacties worden beperkt door:

  • Supplement en medicijn niet tegelijkertijd in te nemen, tenzij bekend is dat een gelijktijdige inname juist gunstig is;
  • De dosering van het voedingssupplement langzaam op te voeren;
  • De patiënt onder controle te houden en alert te zijn op interacties.

 

Vermindering voedingsstatus door medicijngebruik

Geneesmiddelen kunnen op diverse wijzen de nutriëntenstatus in ongunstige zin beïnvloeden.

 

  • Beperking voedselinname door medicijnen

Medicijnen kunnen van invloed zijn op de inname van nutriënten, omdat ze smaak- en reukstoornissen kunnen veroorzaken. Daarnaast betreft een kwart van de bijwerkingen van medicijnen aandoeningen van het maag-darmkanaal, zoals misselijkheid, overgeven, diarree of verstopping.

  • Vermindering nutriëntenstatus door medicijnen

Medicijnen kunnen ook de status van essentiële micronutriënten in het lichaam negatief beïnvloeden: door remming van absorptie, synthese, transport, opslag, metabolisme of uitscheiding. Hierdoor kan een ziekteproces ongunstig worden beïnvloed en kunnen (deficiëntie-afhankelijke) bijwerkingen optreden. Ook kunnen andere ziekten ontstaan als een gebrek niet wordt gecorrigeerd. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat geneesmiddelen die een stijging van de homocysteïnespiegel kunnen veroorzaken (deels) door een ongunstige interactie met foliumzuur, vitamine B6 en/of vitamine B12. Hierdoor stijgt het risico op cardiovasculaire aandoeningen, cognitieve stoornissen, depressie, osteoporose en mogelijk ook op de ziekte van Alzheimer.

 

Risicogroepen

 Door hun toch al verminderde in- en opname van nutriënten, zijn ouderen een risicogroep voor geneesmiddelgeïnduceerde deficiënties. Andere risicogroepen zijn chronisch zieken (ook kinderen), mensen met een slechte voedingsstatus en vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven